Abruzzo strekt zich uit van de Adriatische kust tot diep in de Apennijnen en is één van de groenste en meest bergachtige regio's van Italië. De wijnbouw concentreert zich op de heuvels tussen de kust en de bergketen, met Chieti als grootste productiezone. De bodems zijn hier een mix van klei en kalksteen, en de zee-invloed uit het oosten brengt de zoutige toets die je in goede Abruzzese witten terugproeft. De DOP Abruzzo is de overkoepelende appellatie die de regio sinds de jaren tachtig gebruikt voor zijn beste regionale wijnen.
De druif Pecorino is hier — en in het aangrenzende Marche — al eeuwen inheems; Plinius de Oudere noemde hem al tweeduizend jaar geleden. In de twintigste eeuw raakte Pecorino bijna in de vergetelheid, vooral door zijn lage opbrengst tegenover de meer productieve Trebbiano. In de jaren tachtig en negentig pakte een handvol Marchigiaanse en Abruzzese wijnhuizen de druif weer op: Guido Cocci Grifoni in Marche bottelde de eerste zuivere Pecorino in 1990, Luigi Cataldi Madonna in Abruzzo volgde met de oogst van 1996. Inmiddels staat er weer rond de 1260 hectare Pecorino in Abruzzo.
De naam Pecorino komt van het Italiaanse pecora (schaap), en gaat vermoedelijk terug op de transumanza: de jaarlijkse trek van schaapsherders met hun kuddes van de Abruzzese bergen naar de vlaktes van Puglia. Pecorino-druiven rijpen vroeg, en de vroeg-rijpende trossen werden graag afgegraasd door de schapen die langs de wijngaarden trokken. Een onmiskenbaar Abruzzese druif — niet alleen door geografie, maar ook door de manier waarop hij in het lokale boerenleven verweven was.