De Hunter Valley ligt zo'n tweehonderd kilometer ten noorden van Sydney en is één van de oudste wijngebieden van Australië — de eerste wijngaarden werden er in de jaren achttien-twintig aangelegd. Klimatologisch is het een opvallende keuze: het is hier subtropisch warm en vochtig, met regelmatige zomerregens en hoge nachttemperaturen. Op papier helemaal geen ideaal terrein voor een laag-alcohol witte wijn.
Wat de regio toch werkt, is een combinatie van oude zandige bodems en een gebruik om de Sémillon heel vroeg in het seizoen te oogsten — op een suikerniveau dat in andere streken nog onrijp zou heten. De druiven komen aan in de kelder met lage suikers, hoge zuren en een fijn citrusaroma. Vergist in roestvrij staal en zonder hout ontstaat een wijn van rond de 11% alcohol: een historische stijl die elders in de wijnwereld grotendeels verdwenen is.
Deze Hunter Valley Sémillon-stijl heeft een opmerkelijke tweede leven op fles. Jong drinkt de wijn limoenfris en mineraal, bijna haast neutraal; na vijf tot tien jaar ontstaan tonen van honing, beeswax, geroosterd brood en gedroogde citroen. Topflessen blijven dertig jaar of langer ontspannen op de fles staan. Voor liefhebbers van klassieke witte wijnen is dit een unieke aanvulling op de Europese Riesling- en Chenin-traditie: een Sémillon zonder hout, zonder restzoet en met een uitzonderlijk lange bewaarpotentie.