De Mosel is het oudste wijngebied van Duitsland — de Romeinen plantten hier al druiven in de tweede eeuw. Wat de streek vandaag onderscheidt zijn de loodrechte hellingen langs de bochtige rivier en de leigrondbodems die de warmte vasthouden en het regenwater snel doorlaten. Precies deze combinatie maakt Mosel-Riesling zoals hij is: licht, elektrisch fris, met een uitgesproken minerale kant en een alcoholpercentage dat vaak onder de 12% blijft.
De percelen van Loewen liggen op blauwe Devonschist — één van de oudste leigrondlagen ter wereld, ontstaan rond 400 miljoen jaar geleden. Die blauwgrijze steen absorbeert overdag zonlicht en straalt 's nachts warmte terug naar de stokken, wat de druiven op deze noordelijke breedtegraad überhaupt kan laten rijpen. De stenige ondertoon in de wijn komt hier vandaan; de zoute mineraliteit is de handtekening van deze bodem.
De naam Alte Reben — oude stokken — verwijst naar de leeftijd van de wijnstokken zelf. In Loewens Alte Reben-cuvée staan de jongste rond de 50 jaar en de oudste tegen de 70 jaar oud. Oudere stokken produceren minder druiven per plant, maar de druiven die ze wel geven hebben diepere aromatische concentratie en een meer complexe zuurbalans. Voor Riesling — een druif waar precisie en balans belangrijker zijn dan volume — is dat een groot verschil.