Toro is een klein wijngebied ten westen van Valladolid, langs de rivier de Duero, en staat vooral bekend om zijn krachtige rode wijnen op basis van Tinta de Toro — de lokale klonale variant van Tempranillo. De streek heeft een uitgesproken continentaal klimaat: hete zomers, koude winters, en op de hoger gelegen percelen aanzienlijke temperatuurverschillen tussen dag en nacht. Veel van de oudste wijngaarden liggen op zandige bodems, een grondsoort waarin phylloxera zich nooit heeft kunnen vestigen. Daardoor staan hier tot vandaag stokken op hun eigen wortels, zonder de tussenkomst van Amerikaanse onderstammen die elders in Europa standaard is.
De Albillo Real-druif is in deze streek een bijna vergeten passagier. In de negentiende eeuw stond hij hier in gemengde percelen naast de rode druiven, maar toen de Toro-appellatie in de jaren tachtig van de vorige eeuw officieel werd erkend, kwam de witte druif niet op de toegestane-lijst. Het gevolg was een langzame verdwijning: oude percelen werden gerooid, jonge Albillo werd niet meer aangeplant. Een handvol wijnmakers heeft de afgelopen jaren de resterende oude stokken opnieuw in kaart gebracht en er weer wijn van gemaakt — noodzakelijkerwijs onder de bredere Vino de la Tierra de Castilla y León-noemer.
Het dorpje Argujillo ligt op zo'n vier kilometer ten zuidwesten van Toro, op een hoger plateau met vooral zandgrond. Perceel 107 hoort bij die groep hoge, zandige plots met oude ongeënte bushvines. De combinatie van pure zand, hoogte en pre-phylloxera-genetica geeft deze plek een uitgesproken minerale, zoute signatuur die de wijn tot in de afdronk vasthoudt.