Toro ligt in het zuidwesten van Castilla-y-León, langs de rivier de Duero, ongeveer op de grens tussen de provincies Valladolid en Zamora. De wijngaarden liggen op zand- en leemterrassen boven de rivier, met kalkbodems op de hogere delen. Het klimaat is extreem continentaal: hete droge zomers, koude nachten, en winters die tot ver onder nul kunnen dalen. Die combinatie geeft rijpe druiven met een kern van frisheid die je in warmere Spaanse regio's minder vaak tegenkomt.
De naam Toro voert de wijnliefhebber snel naar Tinta de Toro — de lokale Tempranillo-variant die de regio wereldberoemd heeft gemaakt. Minder bekend is dat de bovenloop van de Duero ook een aantal witte inheemse druiven telt, waaronder Albillo Real. Deze aromatische witte druif is historisch verbonden met de Gredos-regio's Cebreros en San Martín de Valdeiglesias en werd in de achttiende eeuw naar het Duero-dal gebracht. In de twintigste eeuw viel Albillo Real bijna volledig weg, vooral door de opmars van rendabele rode druiven op dezelfde grond. Vandaag telt het gebied slechts een handvol wijnmakers die de druif nog serieus vinifiëren.
Castronuño, waar Esteban Celemín werkt, ligt op de westelijke rand van dat gebied. De bocht van de Duero die daar door de kalkheuvels loopt, is een natuurreservaat (Reserva Natural Riberas de Castronuño-Vega del Duero) — een beschermd rivierlandschap met bijzondere vogelrijkdom en een unieke microzone voor wijnbouw. Esteban heeft hier in 2014 een nieuwe Albillo-Real-aanplant gedaan op kalkbodem, aangevuld met veldselecties uit oude wijngaarden die anders verloren zouden zijn gegaan.