De Limarí Valley ligt op een paar honderd kilometer ten noorden van Santiago, vlakbij de Atacama-woestijn. Op de kaart oogt dat als woestijn-omgeving, en dat klopt grotendeels: de regio krijgt amper regen. Wat de wijnbouw mogelijk maakt is een koele zeebries die elke ochtend door de vallei trekt en de temperaturen flink tempert. Vooral op vijftien tot dertig kilometer van de kust ontstaan wijngaarden waar druiven langzaam rijpen, met behoud van hun zuren.
In die context werkt Viognier beter dan veel mensen verwachten. De druif komt oorspronkelijk uit de noordelijke Rhône (denk Condrieu), waar hij in een warm klimaat rijp, aromatisch en bloemig wordt, soms ten koste van de zuren. In Limarí blijven die zuren overeind dankzij de koelte; het rijpe fruit ontwikkelt zich wel, maar krijgt een strakke ruggengraat mee.
De kalkrijke, alluviale bodems langs de Limarí-rivier helpen daarbij. Kalk geeft witte wijnen typisch een ziltige, ietwat krijtige mineraliteit in de afdronk. In combinatie met de koele wind en de aromatische Viognier-druif levert dat een Chileense witte op die op smaakniveau meer doet denken aan de oude wereld dan aan de bekende, krachtige Chileense witten van verder zuidelijk.