De Douro is bij de meeste wijnliefhebbers vooral bekend als de bakermat van port, de versterkte rode wijn die eeuwenlang het exportproduct van Portugal was. De laatste decennia is het beeld kantelt: dezelfde steile, schistbodem-terrassen blijken ook uitstekend geschikt voor stille rode én witte wijnen. Onversterkt, gevinifieerd zoals elders in de wijnwereld, en met een herkenbaar Douro-handschrift van mineraliteit en kracht.
Een Blanc de Noir — letterlijk wit van zwart — is een witte wijn gemaakt van een rode druif. De truc zit in de pers: door de hele trossen direct na de pluk te persen en het sap niet of nauwelijks in contact te laten komen met de schillen, blijft de kleurstof in de schil zitten en komt er een witte tot zeer licht koperkleurige most uit. Het is een techniek die in de Champagne en in delen van de Loire al lang bestaat; voor de Douro is het een moderne keuze.
De gebruikte druif is Tinta Roriz — de Portugese naam voor Tempranillo, de druif die in Spanje de basis vormt voor de wijnen van Rioja en Ribera del Duero. In de Douro is het één van de pijlers van zowel port als de stille rode wijn. Wanneer hij wit wordt gevinifieerd, levert hij een compacte, gespannen wijn op: meer textuur en ruggengraat dan een klassieke witte druif, met een citrus- en steenfruitprofiel uit de hoge ligging. Op schistbodem — een leisteenachtige rots die water vasthoudt in droge zomers en warmte langzaam vrijgeeft — krijgt de wijn zijn minerale ondertoon.